Pierke
is van Gent … en van de kinderen
een studie over de figuur van het Gentse Pierke
door
Dieter Vanoutrive.
1.
Inleiding
1.1.
In een publicatie “Het Poesjenellenspel” door Theo
Bergers, uitgegeven bij “De
Regenboog” in Antwerpen in 1930, voelt de auteur zich geroepen om kort de
geschiedenis te bespreken van het “marionettenspel” in Antwerpen, Brussel en
Gent. Aan deze laatste stad worden een tientallen zinnetjes besteed, en de
auteur eindigt met de vaststelling “Heden
is geen leven meer te bespeuren in het Gents spelleken”.
Het
is de auteur blijkbaar ontgaan dat deze periode net de hoogdagen waren voor het
“Spelleke van de Muide”, dat toen
ook reeds in en buiten Gent een enorm succes oogstte. Algemeen wordt de
oprichting van het Spelleke van de Muide
in 1922-1923 gesitueerd en als de “renaissance” van het Gentse poppenspel
beschouwd (de uitdrukking is van Lode
Hoste)[1]...
1.2.
In een uitgave uit 1994, “Traditionele
poppen in België” van Hetty Paërl
en Freek Neirynck[2]
meldt deze laatste dat poppentheater Magie
iedere woensdag en zaterdag speelt … Eigenlijk hoort dit zaterdag en zondag te
zijn … En dan te zeggen dat de auteur als kind zijn broek versleten heeft op
de banken van dit theater. Een ernstige vergissing ? Neen, natuurlijk niet. Maar
toch een beetje slordig … Er staan in de bedoelde publicatie trouwens nog veel
ernstiger “kemels”, maar daar kom
ik verder op terug.
1.3.
In een recenter boek, “De Speler en
de strop, tweehonderd jaar theater in Gent” uitgegeven in 2005[3],
wil een van de co-auters, Els Van
Steenberghe, ook het jeugdtheater in Gent niet onbesproken laten en zo komt
zij automatisch bij de Gentse “Spellekens”[4]
terecht. Er worden er enkele opgesomd, over de selectie zou men al een hartelijk
woordje kunnen zeggen, maar de meest in het oog springende zin is wel : “Het
bekendste personage is wellicht Pier den bakker, beter bekend als ‘Pierke’
en geïnspireerd op Pier Colle, een bekend bierhandelaar en cafébaas uit
Sint-Amandsberg”. Even voordien in het artikel heeft deze lieve dame het
ontstaan van het poppenspel van Pier Colle
(poppenspel ‘Pierke’) gesitueerd
in 1940. Dit lijkt te kloppen : volgens Lode
Hoste was de aanleiding voor Pier
Colle om met een poppenspel te beginnen het feit dat hij, ingevolge de
tweede wereldoorlog, niet meer over een trekpaard beschikte en het bier van
erbarmelijke kwaliteit was zodat hij naar andere inkomsten moest uitzien[5].
Een zekere DAEM situeert het ontstaan
echter vroeger, nl. in 1936[6]
Wat er ook van zij, in die periode speelde Pierke
al sinds 1922 bij het Spelleke van de
Muide en droeg hij toen reeds de naam “Pierke”
(de overgang van “Pierrotje” naar
“Pierke” wordt door de meeste
auteurs, op basis van info verschaft door Gust
De Puydt (zie verder) gesitueerd tijdens W.O. I …). Hoe de bedoelde auteur
dus aan het verhaaltje gekomen is dat “Pierke”
afgeleid is van “Pier Colle”
is een groot mysterie, juist is het
in ieder geval niet …
1.4.
En zo kunnen er nog tientallen voorbeelden gegeven worden … Het is opvallend
enerzijds hoe weinig er al over het Gentse traditioneel poppenspel en de Pierkes-figuur
in het bijzonder geschreven is, en anderzijds hoeveel onzin er over dit
onderwerp al aan het papier is toevertrouwd. “Liegen alsof het gedrukt staat” is een uitdrukking die soms ten
volle op zijn plaats is. Het vervelende is dat, door de beperktheid aan
publicaties, veel lezers geneigd zijn de schaarse geschriften te slikken als
koek en voor waar te aanvaarden. Dit geldt zelfs voor latere auteurs die de
verzinsels van hun voorgangers met graagte overnemen, zodat op den lange duur de
grootste onzin algemeen als historische realiteit wordt aanvaard.
1.5.
Hoe is het te verklaren dat er zoveel duidelijke onwaarheden of onjuistheden
over het onderwerp werden gepubliceerd ? Slordigheid is zeker een
voorname factor. Het is een bekend gegeven dat poppentheater meestal niet
belangrijk genoeg geacht wordt om er veel tijd, opzoekwerk of papier aan te
verspillen. Wie een boek schrijft over “tweehonderd jaar toneel in Gent” kan natuurlijk niet naast het
poppenspel in Gent kijken, maar het gaat hier, althans volgens de auteurs en de
uitgevers, zeker niet over het belangrijkste onderdeel van het boek dus meent
men hier ook niet meer kostbare tijd en dus geld aan te moeten besteden dan
strikt noodzakelijk.
Een
andere niet te onderschatten reden voor de vele fouten die men in het beperkt
aantal publicaties vindt is het feit dat men zich soms op mondelinge
getuigenissen moet steunen van bv. mensen uit het vak die soms een wel erg
geromantiseerd beeld van bepaalde feiten schetsen of hun eigen rol of deze van
hun ascendenten uitvergroten of minimaliseren, ten einde zichzelf of hun
voorouders in een zo gunstig mogelijk daglicht te stellen. Zo leest men dan dat
een bepaald poppenspeler tijdelijk niet meer actief was omdat hij tijdens de
oorlog moest onderduiken voor de bezetter, terwijl een wat grondig onderzoek van
de chronologie doet vermoeden dat hij zich eerder voor de bevrijder moest
verbergen …
De
meeste auteurs geven de mondelinge getuigenissen zonder de minste kritische
ingesteldheid weer en doen zich niet de moeite om die zaken die controleerbaar
zijn ook te controleren of om de getuigenis te vergelijken met andere
verklaringen ; laat staan dat men zich de moeite getroost om tegenstrijdige
verklaringen te confronteren.
Uiteraard
is een en ander niet altijd mogelijk, maar men zou dan minstens in zijn tekst
enig voorbehoud kunnen maken of duidelijk een bron vermelden, als het even kan
met de toevoeging dat elk doorslaggevend bewijs voor de geponeerde stelling
ontbreekt …
En
tenslotte mag men ook niet verwaarlozen dat een aantal artikels en geschriften
over het onderwerp het werk zijn van mensen uit het vak zelf, en dikwijls dus betrokkenen.
Nu is het een publiek geheim dat er in het wereldje van het Gentse Poppenspel
nogal wat tweespalt en naijver is. Er zijn dan ook een aantal auteurs die niet
aarzelen om de geschiedenis wat naar hun hand te zetten om hun eigen stelling
aannemelijk te maken of als waarheid te verkopen.
1.6.
In deze bijdrage zal geprobeerd worden om niet te trappen in de vele valkuilen
die hierboven geschetst werden. Bronnen zullen zoveel mogelijk vermeld én
gecontroleerd worden en wanneer over de juistheid van een bepaald feit of
stelling twijfel mogelijk is zal dit vermeld worden.
2.
Het ontstaan van de Pierkesfiguur vanuit de Commedia
dell’arte
2.1.
Inleiding
2.1.1.
Het Gentse traditioneel poppenspel had, in de vorige eeuw, vier hoofdpersonages
:

(van links naar rechts : Karelke, Pierke, Loewie)
(1)
Pierke
(in de negentiende eeuw “Pierrotje” genaamd)
(2)
Loewie
de Lapkensdief (in
oude teksten van het “Spelleke van de
Muide” “Harlekijn” genoemd)
(3) Karelke de stotteraar (in oude teksten van het “Spelleke van de Muide” “de bult” genoemd)
(4)
Pier de Langenarm

(stangpop "De Langenarm" van het Spelleke van de Folklore")
Tegenwoordig
is in feite enkel nog de Pierkes-figuur
overgebleven. Karel en Loewie komen slechts sporadisch nog eens voor het voetlicht, bv. bij
producties voor volwassenen. Pier de
Langenarm wordt enkel nog bij het
Koninklijk Poppentoneel FESTIVAL
gebruikt in twee producties : “De vieze
apotheker” en “Genoveva van
Brabant”, producties die er overigens de laatste jaren niet meer op de
affiche verschenen …
Wanneer
men de drie eerste personages bekijkt kan men, op basis van hun uiterlijke
kenmerken, niets anders besluiten dan dat ze afkomstig zijn uit de Commedia
dell’arte :
Pierke
draagt een pak dat sterk doet denken aan Pedrolino
;
Loewie draagt
een pak dat sterk doet denken aan Arlecchino
;
Karel
draagt een pak dat sterk doet denken aan Pulcinella
(weliswaar gekleed in de Franse “Polichinelle”-versie
; de oorspronkelijke kledij van de Napolitaanse Pulcinella was een wijde witte broek met wit hemd en slappe
punthoed, wel was er toen al een lichte bochel. Het is in Frankrijk dat het
personage zijn veelkleurig pak kreeg, kostumering die ook in andere landen
overgenomen werd en uiteindelijk ook in bepaalde streken van Italië[7].)
2.1.2.
Op het eerste gezicht is het niet verwonderlijk dat het Gents poppenspel zo
sterk door de Commedia dell’arte-personages werd beïnvloed. Dat was immers ook
elders het geval : de Nederlandse hoofdfiguur van het traditionele
handpoppenspel, Jan Klaassen, is, wat
uiterlijk betreft, ook sterk gelijkend op een Commedia dell’arte figuur. De Engelse Punch is ook uit dezelfde familie afkomstig en er zijn nog vele
andere voorbeelden. Er zijn dus nog andere landen waar de Commedia dell’arte een sterke invloed uitgeoefend heeft op het
poppenspel en zijn hoofdpersonages.
2.1.3.
Maar binnen de Belgische context is deze invloed wel uniek. Immers, in
tegenstelling tot andere landen die één “nationale” hoofdfiguur hebben
(Nederland : Jan Klaassen, Engeland : Punch
…) verschilt de held van het spel in België van stad tot stad :
-
In Antwerpen[8]
: de Neus[9]
(geassisteerd door de Schele en de Kop)
(stangpop "De Neus" uit Antwerpen)
-
In Brussel : Woltje

(stangpop "Woltje" uit Brussel)
-
In Luik : Tchantches (en zijn
partner Nanesse).

(stangpoppen Tchantches en Nanesse uit Luik)
De
helden in de andere steden hebben duidelijk de invloed van de Commedia
dell’arte niet of veel minder ondergaan. Wat uitzicht betreft doet niets
in deze figuren aan personages uit de Commedia
dell’arte denken. De Neus, Woltje en Tchantches zijn
duidelijk personages specifiek van eigen bodem, ontwikkeld uit de plaatselijk
volksgeest. Zo zou Woltje een
personificatie zijn van de Waalse arbeiders die destijds in Brussel werkten. José
Géal gaf destijds echter in het radio-programma “Kramiek”
(begin van de jaren ’80) een heel andere verklaring : de eerste Toone zou een bastaardzoon gehad hebben bij een zekere mevrouw De
Waal. Dit kind zou “onze kleine
Dewaal” en uiteindelijk “ons
Woltje” genoemd zijn en daarop zou het hoofdpersonage uit het poppenspel
gebaseerd zijn, wat meteen het “kinderlijke” van deze figuur verklaart …
Het
“verschil” tussen de helden van het spel in de Belgische poppenspelsteden
moet echter genuanceerd worden in die zin dat we tot nu toe enkel op uiterlijk
waarneembare kenmerken zijn voortgegaan. Wanneer we straks het karakter van
de personages nader zullen onderzoeken, zullen we tot de vaststelling komen dat Pierke
wel degelijk “van Gent” en niet van Bologna is …
Hoe
is het te verklaren dat Gent zich, wat het uiterlijk van zijn hoofdpersonage(s)
betreft, zo sterk door de Commedia dell’
arte heeft laten beïnvloeden en de andere steden niet ? Het antwoord op
deze vraag is niet gemakkelijk te geven, al zal hierna wel een poging ter zake
ondernomen worden.
2.2.
In welke mate is “Pierke” te vergelijken met de “Pedrolino-figuur”
in de Commedia dell’ arte ?
2.2.1.
Waar de meeste auteurs er zich niet aan wagen om te verklaren hoe de “Commedia
dell’ arte personages” in Gent terecht zijn gekomen, voelden enkelen
zich wel geroepen om de personages verder te vergelijken dan louter op
uiterlijke kenmerken.
Maurice
D’hondt
schreef ter zake[10]
:
“Hoe
is het bijvoorbeeld te verklaren dat de voornaamste en de populairste van de
drie, Pierke, ondanks de treffende gelijkenis met Pierrot, inzake kostumering,
een totaal ander karakter heeft?
Pierrot is van
oudsher een melancholische figuur (…) Triestigaard Pierrot is een komplete
tegenstelling van het levenslustige Gentse Pierke, die een plezante kerel is,
zorgeloos door het leven gaat en nooit zijn goed humeur verliest.”
Marc
Reynaerts
wijst er in zijn proefschrift “Pedrolino,
Pierrot en Pierke, Sporen van Commedia dell’arte in Gent”[11]
op dat deze stelling van D’hondt ongenuanceerd
is.
Zoals
vele auteurs verwaarloost D’Hondt in
ieder geval dat de personages uit de Commedia
dell’arte met de tijd geëvolueerd zijn of hun karakter kon verschillen
naar gelang het gezelschap. Men kan in talrijke boekjes karakterbeschrijvingen
vinden over de personages Pedrolino,
Pantalone, Capitano, Arlecchino enz … maar meestal wordt het aldus
voorgesteld alsof deze kenmerken universeel waren voor alle
Commedia-gezelschappen en door de tijden heen en dat is zeker niet het geval.
Reynaerts
geeft in zijn proefschrift een interessant historisch overzicht van de evolutie
die het personage “Pedrolino” (de
naam is door de eeuwen heen wel een paar keer gewijzigd en hij had ook “broers
en neven” …) door de jaren heen heeft doorgemaakt. Jammer genoeg vermeldt
hij zelden bronnen voor dit onderzoek. Het overzicht is soms ook wat verward,
omdat hij bijna door elkaar de evolutie in Frankrijk en Italië bespreekt. De
informatie is in ieder geval niet voldoende controleerbaar. Nog spijtiger is dat
Reynaerts m.i. uit dit overzicht de verkeerde conclusie trekt …
2.2.2.
Alvorens het historisch overzicht van Reynaerts
samen te vatten dienen we eerst nog even een aantal “algemene” (dus
ongenuanceerde) kenmerken te geven van de Commedia
dell’arte :
Samengevat
gaat het om een vorm van volkstheater, ontstaan op markten en kermissen, met
volgende kenmerken :
(1) er is geen vaste tekst, men maakt gebruik van een zgn. “canvas”, een korte inhoud, waarrond er geïmproviseerd wordt[12] ; er wordt gebruik gemaakt van geijkte tirades, die in heel vele situaties en binnen tal van scenario's konden worden gebruikt : bedreigingen, liefdesverklaringen, wanhoopscènes, jaloerse uitbarstingen, enz. De spelers konden ook terugvallen op trucjes, de zogenaamde lazzi. Hieronder vielen woordspelletjes maar ook acrobatische toeren als de troep even de draad kwijt was, oorvegen en schijngevechten, kunst- en vliegwerk dat technisch wel beperkt bleef maar niettemin uitstekend geschikt was om de aandacht van de toeschouwers tijdelijk af te leiden.
(2)
Men maakt gebruik van een aantal vaste types, meestal als volgt
ingedeeld :
De geliefden: (innamorati)
Veelal
serieuze personages waarrond het intrige van de voorstelling draait. Zij treden
doorgaans ongemaskerd op. Over het algemeen zijn het goed opgevoede,
welgemanierde zonen en dochters van de
Vecchi (de oude mannen). Zij hebben maar één doel, namelijk: bij elkaar
zijn. Zij maken het belangrijkste van de intrige uit omdat alles rond hun
perikelen draait. Zij schuwen geen enkele list of bedrog om hun doel te
bereiken, al zijn de Zanni (knechten)
meestal de uitvoerders.
De oude mannen:
Meestal,
maar niet altijd, komische types, waarvan Pantalone
en Il Dottore de gekendste zijn.
Zij treden vaak op als vaders van de geliefden en dwarsbomen hun kinderen.
Veelal vinden ze zichzelf een begeerlijke partij voor jongere vrouwen.
Pantalone is het vrekkige type, met huwbare zoon en dochter.

Naast de hypernerveuze Pantalone is Il
Dottore een statische figuur. Hij geeft zich graag uit voor een intelligente
man, maar is in feite een blaaskaak. Hij wil constant het woord hebben en
iedereen moet aan zijn lippen hangen.
Il Capitano is een opvallende eenzaat
met meestal een komische inslag. Een echte snoever. Hij heeft de meest
fantastische gevechten geleverd. Alle vrouwen liggen aan zijn voeten. Hij is als
het ware te voet naar de hemel en de hel geweest. Maar als puntje bij paaltje
komt, is hij een angsthaas. Als hij verliefd is wordt hij de dupe van zijn eigen
opschepperij.
De knechten: (zanni)
Tot de
laatste groep behoren ook Colombine,
“de meid”, die echter pas in de zeventiende eeuw is ontwikkeld, toen vrouwen
vaker begonnen op te treden. Elke groep kent minstens twee Zanni, doorgaans meer. Zij zorgen voor de vooruitgang van het plot,
de komische intermezzo’s en de nevenintriges.
(3)
de “oude mannen” en de “knechten” droegen halfmaskers.
De
linken met het traditioneel volkspoppentheater zijn duidelijk :
-
het belang van improvisatie ;
-
de stereotiepe figuren en de eenvoudige intrige met veel actie ;
- Hetty PAËRL merkt ook de gelijkenis op met een poppenkop die met het masker gemeen heeft dat de gelaatsuitdrukking ook star is.[13]
2.2.3.
De evolutie van het Pedrolino-personages
volgens Reynaerts
2.2.3.1.
Het begin van de zestiende eeuw
Reynaerts
wijst er vooreerst op, zonder duidelijke bronvermelding, dat in het prille begin
(begin 16e eeuw ?) van het ontstaan van de Pierrot-figuur
in de Commedia dell’arte, het niet
ging om een eerste-rangs-figuur. Hij zou dan gaan om een nevenfiguur die zich
ergert aan zijn omgeving en aan de mensen die hem omringen, aan hun
“geestelijke armoede” en aan hun streven naar persoonlijke vooruitgang. Hij
protesteert tegen materialisme, opportunisme, hebzucht en de zich steeds weer
aanpassende moraal.
Hij
zou in die tijd ook ingeschakeld zijn om volk te lokken en om gaten op te
vullen. Hij moest ook zorgen voor de gemakkelijke lach en het publiek opwarmen,
bv. door zich te laten vallen … Aldus was hij ook het middelpunt van spot
vanwege de andere personages … Als de andere familieleden zich reeds bevrijd
hebben, is Pierrot nog slaaf, hij is zielig en wekt medelijden op ; kortom hij
is de uitgebuite underdog.
Maar
later vindt hij trucjes om te overleven en zijn hachje te redden ; hij doet zich
dommer voor dan hij is en poogt aldus aan de toorn van zijn meesters te
ontsnappen. Hij doet desnoods alsof hij gek is en wordt aldus listig. De figuur
is ook dromerig, valt soms in slaap en moet dan zijn listigheid aanwenden om aan
straf te ontkomen.
Als
bijrol moet hij soms de rol van een hoofdfiguur overnemen bv. wegens ziekte. Dit
geeft hem dan de kans om op de voorgrond te komen.
Enkele
karaktertrekken doen dus aan het huidige Pierke
denken, maar enkele andere eigenschappen kan men bezwaarlijk met Pierke
associëren. Voor conclusies is het dus nog veel te vroeg …
Wat
kledij betreft spreekt Reynaerts hier van een wit nachthemd, een puntige hoed en een houten
zwaard, volgens de auteur een teken van armoede (volgens andere auteurs verving
het houten zwaard gewoon de oorspronkelijke sterk geprononceerde fallus …[14]).
2.2.3.2.
De latere zestiende eeuw
In
de latere zestiende eeuw krijgt het personage, onder invloed van Guilio
Cesare Croce, zijn “clownseigenschappen” Hij krijgt het uitzicht van een
boerenkinkel : groot, rond hoofd, donker rood haar, grote oren, kleine
varkensoogjes, een dikke knolneus, lome, brede openstaande mond met twee tanden
als van een everzwijn … Hij wordt het symbool van het gezonde boerenverstand,
met zin voor humor maar toch ook nog naïef. Sommigen gaan hier vergelijken met Sancho
Panza van Cervantes …
Langzaam
wordt het personages echter vulgair : hij is knecht maar tezelfdertijd ook
dorpsgek, pispaal, komiek met grote effecten; onhandig, grof, simpel, een
“smoelentrekker”. Hij draagt nu een volledig wit pak met flodderige wollen
kap, een wijde ronde katoenen kraag, te lange mouwen, te korte pijpen en
gekreukelde witte kousen. Langzaam verdwijnt ook het witte masker om plaats te
maken voor bepleistering van het gezicht met grof meel. Het gaat verder
achteruit met het personage : hij wordt omschreven als dom, lomp, traag van
verstand en laf. Toch blijft er ook een aspect van list en vaardigheid als het
er op aankomt zijn meester mee in het ongeluk te sleuren … Op zijn flodderig,
veel te groot pak staan enorme knopen die de kinderachtigheid zouden
symboliseren.
2.2.3.3.
Het einde van de 16e eeuw
Tegen
het einde van de 16e eeuw duikt in Frankrijk de figuur van “Gros-Guillaume”
op, een dikke bakker. Reynaerts trekt
hier een parallel met het “enfarineren” en … met de benaming “Pierrot
de bakker”, zoals Pierke, zo
blijkt uit bepaalde bronnen, al voor 1900 in Gent genoemd werd[15].
Reynaerts voegt er wel aan toe dat de
relatie Pierrot-Bakker ook een heel
andere oorsprong kan hebben : de voedingsrituelen waarbij het graan de
overwinning haalt op het jachtwild waardoor de mens zich beter voelt dan het
dier. Brood krijgt een bijzondere symboolwaarde. Misschien een beetje ver
gezocht toch, kan het hier opnieuw niet gewoon om toeval gaan ?
In
tegenstelling tot de magere Pierrot is
Gros-Guillaume uiteraard
dik. Hij is bovendien geestig, weze het niet subtiel of satirisch maar brulesk
en kluchtig.
Er
wordt gewezen op de economische achtergrond : het gaat opnieuw beter in
Frankrijk en men geeft de volksfiguren een duwtje in de rug om dit in de verf te
zetten. De figuur zou dus voor propagandistische doeleinden gebruikt worden en
krijgt onder die impuls ook aangepaste kledij die sterk lijkt op die van
Zwitserse huurtroepen.
2.2.3.4.
De Zeventiende eeuw
Ondertussen
spreekt men in Italië natuurlijk niet van Pierrot
maar van Pedrolino. Hij komt in heel
wat canvassen van diverse auteurs tussen 1547 en 1604 voor. Hij is knecht en
uitzonderlijk eerlijk. Er is ook een merkwaardige mengeling van naïviteit en
boerse listigheid. Nieuw is zijn eenvoud en vooral zijn elegante manieren. In
het begin van de 17e eeuw zit zijn kostuum goed, keurig met tuniek,
broek en zakken op de vest. Knopen zijn normaal van grootte en sokken vervangen
de verkreukelde kousen. Hij draagt ook keurige, elegante schoenen met strikken.
De kraag is mooi geplooid, minder groot en de hoed heeft de vorm van een
academische barret. In plaats van bloem op zijn gezicht draagt hij nu
geparfumeerde talk. Hij is nog knecht, maar geen slaaf. Hij blijft
kwajongensachtig en houdt zich dan van de domme om zijn straf te ontlopen.
Hebzucht en gulzigheid zijn hem niet vreemd, maar als het moet toont hij ook
berouw.
Deze
nieuwe interpretatie van het personage vindt ook al vlug in Frankrijk
aansluiting door o.a. het toneelstuk “Don
Juan ou
le festin de
Pierre”. Pierrot
blijft er een boer, maar eenvoudig, charmant, naïef verliefd ….Hoewel zijn
rol in het stuk eerder beperkt is laat hij een diepe indruk na en gaat men hem
associëren met “het volk”.
De
figuur evolueert in de 17e eeuw naar het imago van iemand die vrijuit
en omgecompliceerd zijn mening zegt. Hij wordt niet steeds au sérieux genomen
maar hij wordt aanhoord en getolereerd.
2.2.3.5.
De achttiende eeuw
In
de 18e eeuw lijken de gezelschappen hun onafhankelijkheid te
verliezen. Zij worden meer en meer aanvaard en komen in dienst van edelen, die zij
uiteraard niet (te veel) voor het hoofd willen stoten. Men heeft ook meer en
meer voor van alles en nog wat een toelating nodig en die krijgt men niet
zomaar. Pierrot verdwijnt, zeker in Frankrijk, dan ook voor enkele jaren uit
de officiële theaters en gaat terug van waar hij kwam : markten en kermissen,
oorden van armoede, miserie en verval. Pierrot
past zich aan deze gewijzigde context aan, hij symboliseert meer en meer het
volk en zet hen op tegen de overheid. Tezelfdertijd ontstaat het lied “Au
clair de
la lune” wat een gans
ander aspect van de Pierrot-figuur in
het (maan)licht plaatst : de melancholie … Pierrot
blijft dus een complex personage …
Ondertussen
is de commedia ook weer welkom in de officiële theaters en kunnen zij
proeven van het rijke leven en de luxe. Pierrot
wordt zowaar weer dik en minder sympathiek. Hij verwordt tot een fatterige
dromer, lievelingsknecht van de aristocratie, een vals, nutteloos en frivool
creatuur, in zijden pak met kanten kraag, kalfslederen schoentjes, helemaal niet
meer storend …. Reyanert merkt op
dat de band met Pierke ver te zoeken
is …
2.2.3.6.
De negentiende eeuw
In
de 19e eeuw zien we weer een ander Pierrot-personage
: Pierrot als koorddanser, voor het
eerst vertolkt door Jean-Gaspard
Deburau die zich sterk met het personage identificeerde. Pierrot
is zich bewust van zijn verleden als slaaf en knecht. Hij heeft een ellendig en
armoedig leven als koorddanser. Hij wordt bespot, geslagen en geschopt. Hij moet
ook weer publiekslokker spelen en krijgt voor de rest overal de schuld van. Toch
besluit hij niet op te geven of uit het leven te stappen. In tegendeel, hij zet
door en slaagt er in een hoofdrol te krijgen in het theater. Hier verliest hij
zijn kraag, volgens Reynaert symbool
van slavenjuk[16],
en draagt een fluwelen hoed als van een geleerde. Hij is ernstig maar ook
ironisch en is de vriend van het volk en zijn vertolker. Hij is ook niet langer
de knecht maar de observeerder, de “flaneur”, hij gebruikt zo weinig
mogelijk woorden, veel blijkt uit zijn mimiek. De tweede generatie zal dit nog
verder doordrijven en er een echte mime-figuur van maken. De melancholie komt
opnieuw bovendrijven …
2.2.3.7.
Besluit
Het
hoger vermelde overzicht is een sterk samengevat en daardoor ongenuanceerd en
wellicht een niet geheel foutloze historiek. Enige bedoeling was echter aan te tonen
dat men voorzichtig moet zijn met het personage Pierke
te vergelijken met het Pedrolino-personage
uit de Comedia dell’arte omdat dit
laatste personage diverse evoluties heeft meegemaakt.
Reynaerts
probeert uit zijn historisch overzicht te concluderen dat Pierke
wel degelijk veel ouder is dan men soms denkt en beweert, maar de vraag is of
bepaalde gelijkenissen met het huidige Pierke
niet eerder op toeval berusten en het hier gaat om universele kenmerken die
aan de volksmens in een geromantiseerd beeld worden toegedicht. Een verder
overzicht van de evolutie en de geschiedenis van de Pierkes-figuur in Gent lijkt daarop te wijzen. Een essentiële fout
die Reynaerts m.i. maakt is dat hij de
Pedrolino-figuur vergelijkt met de
huidige Pierkesfiguur in de
interpretatie van Gust De Puydt, en
daarbij vergeet dat Pierke in Gent
voordien hoogstwaarschijnlijk een totaal ander personage was, daar kom ik ook
verder op terug.
2.3.
Hoe verzeilt Pierke in het Gentse Poppentheater ?
De
volgende vraag is hoe de personages uit de Commedia
dell ‘arte in het Gents poppenspel verzeild zijn geraakt (en ev. : waarom
dit niet in andere steden het geval was …).
2.3.1.
Verschillende auteurs wijzen er op dat op kermissen dikwijls Italiaanse
poppenspelers rondtrokken met een poppenvoorstelling sterk in Commedia
dell‘arte trant en met dezelfde personages. Misschien een noodzakelijk
kwaad omdat een gezelschap teveel medewerkers had verloren en men dus gedwongen
was de personages door poppen te vervangen ; misschien ging het om een
afgescheurd lid van een gezelschap of … misschien was het wel iemand die écht
door de poppenspelmicrobe gebeten was …
Het
zou dus kunnen dat Gentse poppenspelers zich hierop geïnspireerd hebben of dat
een Gentenaar op zeker ogenblik in het bezit gekomen is van dergelijk
poppentheater en in dezelfde trant heeft verder gespeeld.
2.3.2.
Er is echter ook een andere verklaring : uit het reeds geciteerde onderzoek van Reynaerts
blijkt dat er reeds Commedia dell’ arte
gespeeld werd in Gent in 1730, mogelijks zelfs vroeger. De datum 1730 kan zeker
worden weerhouden omdat er daarover nog zgn. “vliegende blaadjes” bestaan[17]
in de Centrale bibliotheek van de Rijksuniversiteit te GENT. Dezelfde auteur
wijst er op dat de theateractiviteit in die tijd behoorlijk groter was in Gent
dan in Antwerpen of Luik. Waarop deze stelling gesteund is, is echter niet
duidelijk …
Maar
belangrijk in deze context is dat in het toneel in Gent er op zeker ogenblik een
soort gewoonte bestond om eerst een drama te spelen en daarna een klucht in Commedia
dell’arte stijl. Reynaerts
verwijst naar een document uit 1752 waar melding gemaakt wordt van het feit dat
“na het einde van het groot spel” zal vertoond worden “de Liefde van Arlequin, nieuwe Pantomine …”. De volgende jaren
blijft dit fenomeen regelmatig terugkomen.
De
gelijkenis met de aanpak van diverse Gentse poppentheaters vóór 1920 is zeer
treffend : ook daar bestond, en daar is iedereen het over eens, blijkbaar de
gewoonte om een voorstelling te geven in twee delen[18] : eerst een ernstig drama
in bv. 3 bedrijven en daarna een klucht met “Pierrotje den bakker”, dus met Commedia
dell’arte personages en zeer eenvoudig van intrige …
Het
lijkt er dus sterk op dat de poppenspelers hier een gewoonte uit het toneel
hebben overgenomen (het omgekeerde lijkt mij weinig waarschijnlijk, gezien het
in die tijd zeer volkse karakter van de poppen’theaters’).
Deze stelling is bijzonder aantrekkelijk omdat ze in de lijn ligt van een
(misschien nare) gewoonte van poppenspelers om te proberen, ten einde zichzelf
een zeker serieux te geven, het “grote” toneel te imiteren. Poppenspelers
hebben zich altijd achteruitgestoken gevoeld, zij voelden de minachting van
sommige die spelen met poppen niet als een kunst beschouwden. Door zoveel
mogelijk de gewoontes, stijl en tradities van het grote toneel over te nemen
probeerden de poppenspelers ongetwijfeld voor hun etablissement meer appreciatie
uit te lokken.
Imitatiegedrag
is van alle tijden. De ene artiest gaat kijken bij zijn collega, of stuurt er
een “spion” op af en de zaken die men goed of aantrekkelijk vindt worden met
graagte, al dan niet aangepast aan de eigen mogelijkheden of noden, overgenomen.
Beginners handelen op dezelfde wijze : zij bezoeken de gevestigde waarden,
pikken overal ideeën op, voegen er hun eigen inspiratie aan toe (al zij die
hebben tenminste) en beginnen met iets “nieuws” dat op een aantal vlakken
een goede en op aantal andere vlakken een slechte kopie is van wat zij bij
anderen gezien hebben.
Op
die wijze kan een oorspronkelijk en origineel concept op enkele jaren tijd
gemeengoed worden. In de recente Gentse poppenspelgeschiedenis
zijn voorbeelden legio :
(1)
zo werd poppentheater Pallieter
steevast en wat oneerbiedig, een “slechte kopie” van
Poppentoneel Festival genoemd ;
(2)
zo nam J.P. Maeren compleet de
stijl van decor-maken over van Albert Vermeiren
van marionettentheater
Nele;
(3)
zo is het gebruik om het publiek bij voorstellingen voor volwassenen
eerst een borrel aan te bieden (die zogezegd in de toegangsprijs inbegrepen zit)
gestart door ’t Spelleke van Drie
Kluiten en nadien overgenomen door De
Nar, De kirremelkziekerkens en door Pedrolino
…
2.3.3.
Het overnemen van de stijl van het “grote toneel” in de poppenkast kan nog
vergemakkelijkt zijn indien een van de Gentse poppenspelers op zeker ogenblik
het zaakje van een Italiaanse kermisgast over kon nemen en daar toch wel net die
poppen aantrof die in het toneel voor de klucht gebruikt werden …
De
eerlijkheid gebiedt mij er volledigheidshalve aan toe te voegen dat, hoe
aannemelijk ook, doorslaggevende bewijzen voor deze stelling ontbreken.
2.3.4.
Het zou interessant zijn om na te gaan of het ook in andere steden gebruikelijk
was om drama te laten volgen door een klucht. Zo ja, dan moet vastgesteld worden
dat de plaatselijke poppenspelers in Brussel, Antwerpen en Luik hierdoor minder
geïnspireerd werden. Wat was daarvoor de reden ? Een verklaring zou kunnen zijn
dat de poppenspeltradities in deze steden ouder is dan de Gentse … Dit biedt
wellicht stof voor een afzonderlijk onderzoek …
2.4.
In hoeverre is de huidige Gentse poppenspeltraditie geïnspireerd op de Commedia
dell’arte
Reeds
hoger heb ik volgende standpunten ingenomen :
(1)
de hoofdpersonages uit het Gentse Poppenspel zijn, louter op basis van
het uitzicht, duidelijk dankbaar overgenomen uit de Commedia dell’arte ;
(2)
Veel minder duidelijk is of ook de karaktereigenschappen overgenomen
zijn.
2.4.1.
Pierke
We
zagen reeds dat enkele karaktereigenschappen van het Pedrolino-personage
uit bepaalde periodes van toepassing zijn op het huidige Pierke.
De
onderstrepingen in de vorige zin zijn niet onbelangrijk :
-
er zijn evengoed
eigenschappen van de Pedrolino-figuur
(in bepaalde periodes) die niets met Pierke
te maken hebben. In veel bewaard gebleven canvassen van Commedia dell’arte stukken fungeert Pedrolino als tegenhanger voor de levenslustige Arlechinno
en is hij een blok aan diens been. Eerder introvert, stil, een beetje dom en
bruikbaar als knecht van de knecht … Met Pierke
heeft dit natuurlijk niets te maken ;
-
zoals het Pedrolino-personage
uit de Commedia dell’arte diverse
evoluties meegemaakt heeft doorheen de tijd en naargelang de plaats, is ook het Pierke
van nu niet te vergelijken met het Pierke
van vóór het Spelleke van de Muide (1923). Men zal hierbij niet uit het oog
verliezen dat Pierrotje voor 1923
nooit meespeelde in het drama ; enkel in de korte klucht na de
“hoofdschotel”. Uit wat er van die kluchten is overgebleven blijkt dat het
meestal om onsamenhangende, verhaaltjes ging, in feite zelfs nog veel simpeler
van intrige dan de Commedia dell’arte stukken, een in een soort dialoogvorm gebrachte
langgerekte mop, met veel actie, kloppen en smijten. Wat veel auteurs ook uit
het oog verliezen is de veronderstelling dat minstens in bepaalde oude
poppentheaters het Pierrot-figuurtje
in die tijd over een bijgewoon lange arm beschikte, wat hem wel in staat stelde
klappen uit te delen maar waardoor hij minder handig was om binnen een deftig
afgerond verhaal als dramatisch personage te kunnen functioneren. Ik kom daar
verder op terug wanneer ik het heb over de persoon van Gust De Puydt..
2.4.2.
Loewie de
Lapskensdief
Uiterlijk
valt onmiddellijk de vergelijking met Harlekijn
op. Maar voortgaand op de algemene (en dus ongenuanceerde)omschrijving die aan Harlekijn gegeven wordt in de meeste Commedia dell’arte stukken heeft Loewie wat karaktereigenschappen betreft weinig of niets te maken
met zijn illustere tweelingbroer.
Harlekijn
is in de meeste Commedia dell’arte
stukken de echte hoofdfiguur : Hij is de toegewijde knecht, wiens wel en
wee gepaard gaat met dat van zijn meester. Hij is onberekenbaar en wispelturig,
maar altijd te goeder trouw. Zijn “briljante oplossingen” zorgen steeds voor
nieuwe problemen. - Pedrolino
fungeert dan als tegenhanger voor de levenslustige Arlechinno
en is in feite de knecht van de knecht.
In
het Gents traditioneel poppenspel is het juist omgekeerd : Pierke is de held, Loewie
is zijn tegenhanger : stout, maar laf als het er op aankomt, de knecht van de
knecht, die er echter snel vandoor gaat als het echt gevaarlijk wordt.
In
feite is het huidige Loewie-personage
veel beter vergelijkbaar met een andere figuur uit de Commedia dell’ arte, nl. Capitano,
die hoger reeds omschreven werd als de snoever die zogezegd al de meest
fantastische gevechten geleverd heeft maar als puntje bij paaltje komt,
een echte angsthaas is …
2.4.3.
Karelke de stotteraar
Hier gaat
de vergelijking met Pulcinella al
helemaal niet verder dan het kostuum (in Franse versie[19],
zie hoger). Pulcinella wordt (hoewel
het personage ook evoluties gekend heeft zoals Pedrolino) meestal omschreven als kwaadaardig knechtentype, wreed
grof en lomp. Heel wat eigenschappen zijn gebleven in de Hollandse Jan
Klaassen en de Engelse Punch
: beiden doen niets liever dan hun vrouw slaan en wat ze met hun baby uitrichten
zou de dag vandaag onmiddellijk het Comité voor Bijzondere Jeugdzorg in actie
doen schieten …
Karelke
daarentegen is de goedheid zelve. Hij is de duts, hij stottert, hij is mismaakt
: klein, met een dubbele bult[20],
hij is altijd de laatste, maar alhoewel hij door Pierke en Loewie als de
grote dommerik beschouwd wordt brengt hij soms, in zijn naïviteit, toch de
juiste oplossing aan.
Als Karelke
dan, wat karakter betreft, toch moet vergeleken worden met een personages uit de
Commedia dell‘ arte gaat men snel aan Pedrolino denken …
Die
merkwaardige versmelting zien we trouwens ook in de Commedia dell’arte : de kledij van Pulcinella en deze van Pedrolino
is lange tijd nagenoeg dezelfde geweest en ze waren toen nog slechts van elkaar
te onderscheiden door hun masker : Pulcinella
heeft een zwart halfmasker, Pedrolino
een wit …
2.4.4.
Pier de Langenarm
Hierover
kunnen we kort zijn : het betreft een figuur die, op het eerste gezicht, niets
met de Commedia dell’ arte te maken heeft.
Weze
wel opgemerkt dat deze “lange arm” door sommige auteurs vergeleken wordt met
de knuppel die Pulcinella-achtige personages zoals Punch en Jan Klaassen
gebruiken … Ook in Gent gebruikt Pier de
Langenarm zijn uitgerokken ledemaat om te timmeren op de politie, de
gezagsdragers (“De Vieze apotheker”)
maar ook op de slechterik (Golo in
“Genoveva”).
2.4.5.
Uitzonderingen die de regel bevestigen
Er
moet opgemerkt worden dat niet alle Gentse Poppentheaters zich in de vorige eeuw
aan de drie (of vier) vermelde hoofdpersonages gehouden hebben. Pierke
kwam steeds terug, maar Loewie en Karelke
waren niet in alle gezelschappen populair.
2.4.5.1.
Zo maakte men in Poppenspel Pierke van
Pier Colle gebruik van “De
Schele” en “De Neus” als
secundanten van Pierke. Men zou
geneigd zijn om te denken dat hier een link met Antwerpen ligt, maar als men de
teksten gaat bestuderen van dit poppenspel (er bestaan er nog heel wat, volledig
uitgeschreven teksten én korte inhouden) dan stelt men vast dat het hier
precies dezelfde karakters betreft als Karelke
en Loewie. De Schele stottert even erg als Karel
en is even naïef. De Neus is een
grote snoever die vlucht als het echt gevaarlijk wordt …Zowel de Neus
als de Schele spraken Gents.

(Schele en Neus uit de collectie van Pier Colle (koppen gerestaureerd door Michel Bracke, poppen herkleed door Rietje Meuleman)
Het
personage van “De Neus” werd ook nog sporadisch door Poppentheater Magie
gebruikt tot in de jaren ’70. Een krantenartikel uit 1976 bespreekt de nieuwe
productie “Schatteneiland” en looft de tussenkomst van dit personage in het
laatste bedrijf. Magie sprak steeds
van “Nonkel Neuze”.
2.4.5.2.
Nele gebruikt evenmin Karel
en Loewie, wel Gust, een clown die Pierke
in een aantal stukken assisteerde ; Het Ledebergse Patronage-spelleke “Harlekijn”
maakte gebruik van Gust en Sproete om Pierke bij te
staan en bij Hans Hanssens in
Fantasia
liep enkele jaren een zekere Prosper
in de weg …
2.5.
Voor wie speelde “Pierrotje”
in die tijd in de Gentse poppenkasten ?
2.5.1.
Een fout die door vele auteurs ook gemaakt wordt is dat zij de
poppenspelgeschiedenis van verschillende steden door elkaar gaan haspelen of
ervan uitgaan dat omdat een bepaald fenomeen blijkbaar een feit was in enkele
steden, dit wel in alle steden zo zal geweest zijn …
2.5.2.
Een van de meest hardnekkige misvattingen ter zake is de stelling dat poppenspel
ook in Gent aanvankelijk uitsluitend opgevoerd werd voor een volwassen publiek.
Deze stelling is gesteund op aanwijzingen dat, waar in de tijd de overheid
toneel verbood (bv. de afschaffing van de Rederijkerskamers door de hertog van
Parma in 1585) of het exclusief opvoeringsrecht verleende aan één gezelschap
(bv. De Munt in Brussel in het begin van de 18e eeuw) bepaalde
toneelspelers dan maar op poppenspel zouden zijn overgeschakeld om te kunnen
blijven acteren en hierbij hun publiek behielden.
Bewijzen
dat dit niet juist is kan ik niet, en de kans is zelfs groot dat dit verhaal
voor steden als Antwerpen[21]
en Brussel klopt, maar voor wat Gent betreft geloof ik er niet in.
De weinige bronnen waarover we beschikken wijzen er eerder op dat
poppenspel in Gent reeds geruime tijd uitsluitend voor “vrouwen en kinderen”
werd opgevoerd.
2.5.3.
De auteurs die de hypothese (voor hen een axioma) aanhangen dat poppenspel ook
in Gent oorspronkelijk voor volwassenen was, spreken zichzelf ook regelmatig
tegen :
2.5.3.1.
Marc Reynaerts schrijft op blz. 82 van zijn thesis wanneer hij het Gentse
poppenspel vergelijkt met dat van Frans-Vlaanderen : “Het is dus net zoals in Gent gericht op een volwassen publiek”.
Jammer genoeg wordt, noch voordien, noch nadien, toegelicht hoe men er op komt
dat het poppenspel in Gent (in die tijd) “ook” gericht was op een volwassen
publiek …
Integendeel
… Op blz. 97 van dezelfde thesis wordt aandacht besteed aan een artikel van Prosper
Claeys “Het Spelleke à Gand”[22]
waarin het “Spelleke van Akkergem”
beschreven wordt omstreeks 1840. We lezen er dat het publiek bestond uit kinderen
van handelaars, industriëlen, magistraten en leraars ; Jongens en meisjes waren
strikt gescheiden. Achter de publieksbanken waren staanplaatsen waar de knechten
en kindermeisjes de kinderen konden opwachten …
2.5.3.2.
Zo schrijft Freek Neirynck in de reeds geciteerde publicatie “Traditionele
poppen in België” :
“Er
wordt verondersteld dat het Gentse poppentheater in de negentiende eeuw
uitsluitend voor volwassenen werd gespeeld, maar toch zijn er reeds geschreven
teksten van het einde van die eeuw die aanduiden dat het zich toen ook al
richtte tot een publiek van kinderen”[23]
Even
verder in hetzelfde artikel verwijst de auteur trouwens naar een Gentse
poppenspeler die, vanaf 1880, tweemaal per jaar voorstellingen voor volwassenen
gaf om te bewijzen dat zijn stukken van zedelijk gehalte waren en om de ouders
gerust te stellen dat ze hun kinderen aan hem konden toevertrouwen (het betreft
hier het spelleke van de heer DONCKER
uit de Zandstraat 83 in Gent dat besproken wordt door VERSCHUEREN
in het hierna vermelde krantenartikel).
En
wat verder in de tekst volgt dan de volgende boute uitspraak :
“Het
opvolgen van de (politieke) aktualiteit, zoals dat nu nog door ’t Spelleke van
Drei Kluite gedaan wordt (…) gaat terug op een gebruik van rond de
eeuwwisseling”.
Jammer
genoeg geeft de auteur op geen enkel ogenblik aan waar hij deze informatie
vandaan haalt …
2.5.3.3.
Men blijft ondertussen wel lekker van elkaar afschrijven. Ook Tuur
DEVENS wil ons doen geloven dat Luc De
Bruycker met “Het Spelleke van Drie
Kluiten” (‘satirisch’ poppenspel voor volwassenen) een traditie
“vrolijk verderzet”. En hij vervolgt : “Bestond
het publiek voor dit soort theater vroeger hoofdzakelijk uit volwassenen, nu
richten zich bijvoorbeeld Het Gentse Spelleke Magie (van Henri Maeren), ’t
Spelleke van de Folklore,
Fantasia en ook Pedrolino hun Gentse Pierke’s meer
tot kinderen”[24]
2.5.3.4.
Lode HOSTE tracht de kerk in het
midden te houden door in zijn boek te suggereren dat het publiek gedurende een
groot deel van de 19e eeuw zowel uit volwassenen als uit kinderen
bestond[25].
Opnieuw wordt niet aangegeven waarop deze stelling gesteund is en ze is
bovendien totaal ongeloofwaardig : het is moeilijk denkbaar dat men in die tijd
een repertoire bracht dat zowel kinderen als volwassenen aansprak. Als er al
(schaarse) volwassenen in het zaaltje zaten zullen het wellicht eerder
begeleiders van kinderen geweest zijn die in de eerste plaats meekwamen om hun
kinderen plezier te doen. Dat ze er uiteindelijk zelf wellicht ook van genoten
zal ik echter niet ontkennen …
2.5.4.
Zoals gezegd wijst alles er op dat ook op het einde van de 19e eeuw,
begin van de 20e eeuw, het Gents poppenspel voornamelijk tot een
kinderpubliek richtte.
2.5.4.1.
In het folkloristisch essay “Het Gentsch
Poppenspel” van Joris VANDENBROUCKE,
uit 1931[26],
gesteund op hele wat mondelinge getuigenissen van ouderlingen uit dit tijd,
wordt op geen enkel ogenblik melding gemaakt van een traditie van poppenspel
voor volwassenen. De beschrijvingen wijzen er op dat er wel degelijk nagenoeg
uitsluitend voor kinderen gespeeld werd in de negentiende eeuw.
2.5.4.2. In een nog oudere publicatie, nl. een artikelenreeks uit de “Gazette van Gent” van 1909 van de hand van Jan Verschueren bespreekt de auteur de poppentheaters die hij “in zijn kinderjaren” bezocht heeft[27]; Nog een indicatie dat men ook in de 19e eeuw al uitsluitend voor kinderen speelde. Verschueren bespreekt er, naast het reeds vernoemde spelleke van Donckers, ook het Spelleke van de Blauwers, het oudste van de stad, en noteert dat er in de zaal “170 tot 180 kinderen” kunnen plaatsnemen. Ook de andere besproken poppentheaters in de reeks spelen duidelijk uitsluitend voor kinderen.

(de spelers van "Het Spelleke van de Blauwers")
2.5.4.3.
Over de periode voordien zijn er gewoon geen bronnen, zodat het onverantwoord is
om dan maar, gemakshalve, aan te nemen dat men toen ook in Gent, zoals misschien
in andere steden, poppenspel vooral voor volwassenen speelde.
Lode
Hoste
suggereert zelfs, in navolging van het standpunt dat prof. De
Keyser reeds in 1931 verwoordde, dat de kans groot is dat de geschiedenis
van het Gents traditioneel stangpoppentheater niet veel hoger opklimt dan de 19e
eeuw[28].
Reeds
hoger werd aangetoond dat men de geschiedenis van het poppenspel in de ene stad
niet mag extrapoleren op een andere stad. Hoe anders te verklaren dat elke stad
zijn eigen hoofdpersonages, zijn eigen gebruik had en alleen Gent zo sterk door
de Commedia dell’ arte beïnvloed werd ? Ook de grootte en de
constructie van de poppen is heel anders in de diverse steden. Wat repertoire
betreft is er ook maar een zeer beperkte overlapping …
Misschien
is dit juist een verklaring waarom men het niet nodig achtte om in het begin van
de 20e eeuw de geschiedenis van het Gents poppenspel neer te pennen,
terwijl men dat toen in de andere steden wel deed …
2.5.4.4.
Een gelukkig uitzondering van auteurs die niet in “de val” zijn getrapt is Hetty
Pearl die in haar boek “Heerekrintjes”
verwijst naar het sprookjesachtige repertoire dat de oude Gentse Poppenspelers
opvoerden, niet verwonderlijk, zegt zij, “want
het publiek bestond vooral uit kinderen”[29].
Jammer dat zij dus haar co-auteur uit de publicatie “Traditionele Poppen in België” niet op de ongerijmdheden in zijn
tekst gewezen heeft …
3.
Pierke in de 20e
eeuw : Pierrotje wordt Pierke
3.1.
Over de 20e eeuw beschikken we over meer informatie. De eerlijkheid
gebiedt opnieuw om er op te wijzen dat het meestal mondelinge bronnen betreft en
voornamelijk de verhalen die Gust De Puydt
daarover vertelde.
3.2.
Gust, geboren in 1904, is meermaals geïnterviewd
en vele van deze vraaggesprekken werden op band opgenomen. Zeer interessant is
ter zake het experiment van Adolf Vergauwen geweest : hij interviewde Gust op 10 juni 1982 en stelde hem een aantal vragen. Het gesprek
werd op band opgenomen. Bijna zes jaar later, op 14 april 1988, vond een nieuw
interview plaats met nagenoeg dezelfde vragen … Vergelijking van de antwoorden
levert hele wat interessant materiaal op, al moet toch vastgesteld worden dat Gust
op weinig tegenstrijdigheden kon betrapt worden.
Dolf
ging ook praten met de “opponent” van Gust
De Puydt, Gust
Neirynck. Ook hier werden voor een
deel dezelfde vragen gesteld.
Een
vergelijking van deze drie bandopnames brengt wel een aantal tegenstrijdigheden
aan het licht, doch eerder m.b.t. de periode rond 1940 en veel minder over wat
er voordien gebeurd of niet gebeurd zou zijn. Dit laatste is wel niet echt
verwonderlijk, Gust Neirynck was
geboren in 1915 en kwam pas in het poppentheaterwereldje terecht als 15-16
jarige …
Dat Gust De Puydt de zaken soms mooier voorstelde dan ze in werkelijkheid waren is een feit. Wat het begin van zijn verhaal betreft is er evenwel geen vergelijkingsmateriaal, we kunnen dus onmogelijk achterhalen of het verhaal juist, gedeeltelijk juist, verzonnen of ev. aangedikt is. Er zijn echter ook geen elementen die de geloofwaardigheid van het verhaal aantasten.

3.3.
Gustaaf DE PUYDT
werd dus geboren op 22 mei 1904 in een huisje gelegen in een doorgang tussen de
Karderijstraat en de Geitestraat in Gent die in de volksmond de
"Kerremelkkoer" genoemd werd. De huisjes van deze doorgang waren
typische werkmanshuisjes, gebouwd voor mensen die in de plaatselijke fabriek
werkten.
Die
fabriek lag aan de overkant van de Karderijstraat en heette "De
Kleine Lys". Het was een katoenfabriek waar de ouders van Gustje
werkten en waar ze elkaar trouwens leren kennen hadden.
Toen
Gustje nauwelijks zes maanden oud was,
werd hij "uitbesteed" bij een familie in Evergem op het "Hulleken".
Gustje is daar opgegroeid op
doktersadvies. Omdat hij als baby zo zwak was, vond men het beter hem “op de
buiten” “op te kweken”.
Op
Paaszondag van 1914, enkele maanden voor de oorlog, kwam Gustjes
vader dan naar Evergem om zijn jongste zoon af te halen. De dreigende oorlog en
het feit dat men toen vond dat men in de stad "beter leerde" hadden de
vader van Gust tot dat besluit
gebracht.
En
zo kwam Gustje terug in Gent terecht,
op de Brugse Poort, in een milieu dat hem onbekend en onbemind was. Gustje
kon daar, naar eigen zeggen, niet
aarden en daarom werd hij dan maar weer “uitbesteed”, nu bij zijn meter, de
moeder van zijn vader, op de Muide-wijk in Gent[30].
Toen
Gustje nu bij zijn grootmoeder kwam
wonen, moest hij zich uiteraard overal eens "gaan tonen". Een van de
familieleden waar Gust moest langsgaan was een oom en naamgenoot van hem die in
de Wissenhagestraat woonde, een straat die uitkwam op de Nijverheidslaan, thans
de Nieuwe Vaart. Eigenlijk was die straat een beluik. Nonkel woonde in nummer
53.
Gustje
was welgekomen. Nonkel Gust speelde onmiddellijk een deuntje op zijn accordeon. Hij
bespeelde verschillende muziekinstrumenten : accordeon, mondharmonica en,
alhoewel hij dat niet in huis had, zelfs piano, allemaal zonder dat hij ook maar
één noot muziek kon lezen.
Wat
Gustje opviel was dat er op de tafel
een drietal poppen lagen. Nonkel maakte poppen op bestelling voor kinderen die
verjaarden of hun communie deden enz ...
Korte
tijd nadien, tijdens de eerste wereldoorlog, nam nonkel het besluit om een
"spelleke" op te richten. Gustje
werd aangesproken als helper, want geen enkele van de vijf kinderen
van nonkel voelde daar iets voor.
En
zo mocht Gustje bij nonkel de poppen
aangeven, maar voor het overige moest hij zwijgen.
Het
poppenspel was opgesteld in de voorplaats. In deze voorplaats was er een luik,
een "valle" zoals ze dat
toen noemden, om naar de kelderkeuken te gaan. Dit luik was gesloten met een
"baalde", een balie of
afsluiting, om te vermijden dat men in het keldergat zou vallen. Het luik kon
desgewenst dicht gelegd worden. Samen met een decorateur uit de buurt, Jantje
MONTAIGNY, werd het theatertje gebouwd dat opgesteld werd op de steun van
het bedoelde luik. Jantje had ook
enkele primitieve decorkens geschilderd en nonkel had een zes- zevental poppen
gemaakt. Alle oude stukken stonden op het repertoire : "Alexius
onder den trap", "De
gebroeders de Grave", "Den
appel des levens", "Het
goudvarend water". Nonkel was immers destijds bekend met het vroegere
poppenspel van een zekere Henrietje
COENE, en wist nog heel goed hoe al die oude stukken in elkaar zaten
…
Nonkel
schreef met krijt op een grote, dubbele schoollei dat hij poppenspel zou spelen,
de lei werd voor de venster gezet en alle mensen die in de fabriek werkten bij VERCAUTEREN,
en dus voorbij de woning van nonkel moesten passeren, lazen dat er eerstdaags
"Spelleke" te zien zou zijn.
Het
poppenspel had veel succes. De eerste keer zat er 45 man binnen in de
voorplaats, die dan ook afgeladen vol zat. Men was gewoon verplicht de gehele
kamer te ontruimen en alle meubels, de "commode", de naaimachien van
tante Fiene, enz ... werden gewoon buiten op straat gezet. Nochtans moest
alles in het geheim gebeuren. Het was oorlog en de Duitsers mochten uiteraard
niet weten dat er daar "in 't geniep" gespeeld werd.
Iedereen
moest ook zelf zijn stoel meebrengen, nonkel had er immers maar zes.
Gelet
op het grote succes heeft nonkel nadien nog zijn koer "droog laten
zetten" en daar bankjes geïnstalleerd. Die bankjes waren in feite de
eerste schijf van een boom die wordt afgezaagd.
Eén
van de belangrijkste personages in het poppenspel van nonkel was Pierrotje
de langenarm. Dit was volgens Gust
een klassiek personage in alle spellekens in die tijd. Hij was toen gekleed in
het wit, met zwarte versierselen. Dit Pierrotje
sprak met een soort schelle kopstem. Dit was, volgens Gustje, overgenomen uit de carnavaltraditie van die tijd, toen de
mensen zich met carnaval verkleden en hun stem veranderden om niet herkend te
worden[31].
Pierrotje
speelde nooit in het "groot" stuk, wel in het "klein" stuk,
de klucht die als extraatje gegeven werd. Zijn taak bestond er voornamelijk in
om op het einde van de klucht met zijn lange rechterarm de politie "buiten
te vegen".
Gustje
zelf vond dat Pierrotje wel een leuk popke, maar hij vond het wat zielig dat deze
figuur met zo'n mismaakte arm door het leven moest gaan. Nonkel wou dit eerst
niet veranderen, maar toch, op zeker ogenblik had tante Fiene toch de arm tot zijn normale afmeting teruggebracht.
Op
zekere dag, het was toen nog volop oorlog (1916), was Gustje
eens op bezoek geweest bij zijn vriendje, Mauriceke
BAUWENS, in Evergem. Zijn vroegere pleegmoeder, moeder “Veersenie”,
had toen gezegd dat hij zeker voor donker thuis moest zijn. Enkele weken
voordien was er immers een jongetje verdwenen en men had hem dood terug gevonden
aan de Walbrug te Evergem. Die woorden hadden op Gustje een grote indruk gemaakt
want hij vertrok zo snel mogelijk terug naar huis.
Nonkel
Gust kreeg natuurlijk de hele historie
te horen in geuren en kleuren en vond dit meteen een geschikt verhaal om op te
voeren in het poppenspel. Er werd een nieuwe pop gemaakt voor de rol van het
kleine manneke en Gustje vroeg zo eens langs zijn neus weg : "En
wie goat er dat manneke spelen", waarop nonkel repliceerde : "Ha,
gij natuurlijk". "Maar
nonkel, wat moet ik zeggen ?" "Weet
ge dat niet, ge komt mij hier alles vertellen en dan zoudt ge niet weten wat
zeggen ?" ...
De
knoop was doorgehakt. Gustje speelde, op aanwijzingen van nonkel, het kleine manneke,
nonkel speelde natuurlijk de slechterik : "Allez, mee met mij, gij ...". "Ha baas, waarom doet gij mij mee, mijn moeder zal ongerust zijn en ik
heb toch niets misdaan ...". "Zwijg
gij ..." en het kind werd gedood, tot woede van het publiek en vooral
de aanwezige mama’s, die luid riepen dat hij dat manneke moest loslaten.
Het
publiek leefde danig mee en het stuk was zo'n succes dat het vier maal moest
opgevoerd worden, telkens voor een ander publiek, want nonkel had liever steeds
andere mensen dan dat steeds dezelfde terugkwamen om het spektakel nog eens te
zien.
Op
zekere dag zat nonkel geplaagd met een zeer hese stem, zodat Gustje
eens Pierrotje de langenarm moest
spelen. Gustje deed wat van hem
gevraagd werd en zo kreeg Pierrotje
een echt kinder- of piepstemmeke, en hij bleef die rol behouden. Op zekere dag
riep nonkel Pierrotje de scène op en
in een poging "schoon Vlaams" te spreken riep nonkel "Pieter !", waar het publiek al snel "Pierke" van heeft gemaakt.
De
naam “Pierke” is dus volgens het
verhaal van Gust ontstaan vanuit de
volksmond, vanuit het volk zelf. Het gaat dus om pure "folklore".
Enige
tijd later kwam de "kino" op en verflauwde de interesse voor het
poppenspel, de kinderen konden immers voor hetzelfde geld naar de cinema. Het
poppenspel belandde op nonkels zolder. Nonkel zelf werd op het einde van de
oorlog nog naar Duistland gedeporteerd omwille van een incident met een Duitser
die het dochtertje van zijn schoonzuster had lastig gevallen. Toen nonkel na de
oorlog als invalide terugkwam bleef hij overal op feesten accordeon en piano
spelen.
Een
ander belangrijk feit uit die tijd was dat de broer van Gustje
al vlug ook naar de katholieke "Werkmanskring" mocht gaan. Iedere
kring had in die tijd wel een toneelbond, een bolbaan of een kaartmaatschappij.
Op de Muide werden er toneelopvoeringen gegeven door "HOGER
OP". Daar speelden relatief begaafde mensen die al "op
de letter" konden spreken, zoals men dat toen noemde.
Omdat
vader en moeder werkten en Gustje bij
zijn grootmoeder verbleef, mocht hij er zijn broer vergezellen. Hij moest er wel
in een hoekje zitten en onderpastoor DE
WOLF, die toen regisseur was, zei : "Manneke
braaf zijn en daar in het hoekske gaan zitten newaar en goed kijken en luisteren
newaar."
Kort
na de eerste wereldoorlog had Gustje al
eens een rolletje mogen spelen in een stuk "De
oorlog in Vlaanderen". Het enige wat hij moest zeggen was, op het
ogenblik dat er een granaat ontplofte, "Ai,
mijn knie", maar die ene zin kwam er dan ook, dixit Gustje,
zeer overtuigend uit….
De
eerste grote rol kwam er enige tijd later. Men zou een
"gekostumeerd" stuk spelen, "Om
een kroon" getiteld. Dit stuk speelde zich af in Engeland. De Engelse
koning was gestorven en deze had twee zonen, die nog te jong waren om de kroon
over te nemen. Voor de jongste had men al iemand gevonden, maar voor de rol van
de kroonprins was men nog op zoek, tot de zoon van bakker KESBEKE,
die ook meespeelde, zei : "Moet
gulder zoeken, Gustje die altijd meekomt met zijn broere naar de repetitie, we
kunnen toch niet beter doen of hem ne keer proberen". Men besloot het
eens te proberen en Gustje kreeg een
brochure in de handen gestopt. "Manneke,
zoudt gij dat kunnen ?" vroeg onderpastoor DE WOLF. Gustje zou zijn best doen. Toen de week daarop de eerste
repetitie plaatsgreep bleek dat Gustje
de hele brochure uit het hoofd kende ...
Het
stuk en de vertolking van Gustje was
een waar succes. Gustje bleef
meespelen, men zocht gewoon telkens een stuk waarin hij een rol kon vertolken.
Na
pastoor DE WOLF
is Franske CASTEELS op
de proppen gekomen als "huisregisseur". De nieuwe onderpastoor was
niemand minder dan Joris
VANDENBROUCKE, toen nog door iedereen "Georges"
genoemd, die toen net uit het seminarie kwam. VANDENBROUCKE
was een zeer dynamisch man, die dag en nacht werkte, en dat was nodig ook
want men had hem gezegd dat op de Muide "de
kas zuiver was", doch er was daar uiteraard niets anders dan een groot
gat in de kas ...
Om dit gat te dichten richtte VANDENBROUCKE een Vlaamse foor in. En op die Vlaamse foor kwam Thereseke BLAUWERS spelen. Ze bezat een oud poppenspelleke dat van vader op zoon overgegaan was. Thereseke was uitgenodigd op advies van Franske CASTEELS die zich nog herinnerde dat hij als kind daar naartoe ging in het vaste zaaltje in de Rijke Klarenstraat, een straat die uitkwam op de St.-Lievenspoortstraat.
Bijna
tezelfdertijd zou "Smidje Smee"
opgevoerd worden als toneel.
VANDENBROUCKE had alles goed
georganiseerd : er werd afwisselend een bedrijf toneel en een bedrijf poppenspel
gespeeld, en telkens werd inkom gevraagd (voor het poppenspel was dit toen 50
centiemen of een halve frank). Op financieel vlak was de kermis dus een groot
succes. De onderpastoor hield er 250 fr. aan over. Gustje
had trouwens aan de kassa van het poppenspel gestaan, omdat hij vroeger bij zijn
oom al poppenspel gespeeld had.
Toen
alle kraampjes van de Vlaamse foor afgebroken waren sprak VANDENBROUCKE
nog eens over het groot succes van het spelleke dat Thereseke
daar opgevoerd had. Hadden we maar zoiets voor ons patronage, voegde hij eraan
toe.
Toen
sprak Gustje opnieuw van het
poppenspel van zijn oom. Nonkel had nog al zijn materiaal. VANDENBROUCKE
suggereerde dat Gustje eens bij
oompje zou informeren of deze zijn spullen niet van de hand wou doen.
Gustje
trok naar oom, maar die wou van een verkoop niet weten. Hij beschouwde zijn
poppenspel als een stuk van zijn ziel, en die verkoopt men ook niet, “niet
waar ?”.
Gustje
ging het melden aan VANDENBROUCKE en
stelde voor dat de pastoor het dan maar eens zelf zou gaan vragen, als
volwassene die het goed kon zeggen. En op de 20e juli 1922 trokken ze samen naar
nonkel. Toevallig werd er juist een "gedecoreerde" gevierd in de cité
en nonkel had, bij wijze van versiering, zijn poppen op straat uitgehangen. Ze
werden door VANDENBROUCKE
en Gustje geteld en het bleken er 16
te zijn, voldoende om een stuk te spelen.
Het
bezoek van een pastoor aan de bedoelde cité had natuurlijk nogal wat bekijks.
De onderpastoor viel met de deur in huis, vertelde van zijn Vlaamse foor en
voegde er aan toe dat hij er de ganse opbrengst van de foor voor over had om het
spelleke van nonkel te kopen. Eerst kwam er opnieuw een weigering van nonkel.
Gelukkig kwam toen tante Fiene tussen. Die bekloeg zich er over dat ze die spullen bij iedere
grote kuis weer moest verslepen, terwijl nonkel haar, als invalide, hierbij niet
kon helpen. Uiteindelijk zei nonkel dan : "allez,
omdat het voor mijn kozijntje is", en de koop was gesloten. De centen
werden op tafel gelegd en 's anderendaags reeds gingen Octaaf
CAMMAERT (de latere advocaat) en Dolfke
BOSMAN (de latere dirigent van het kerkkoor) met een stootkar het materiaal
ophalen. Op de Muidebrug draaide er plotseling een wiel af. Gelukkig konden ze
het wiel "tripleren" of
anders hadden Pier en zijn compagnons
al direct een bad kunnen nemen in het water ...
In
de patronage aangekomen moest er natuurlijk een podium gemaakt worden. Pastoor VANDENBROUCKE
had er vlug iets op gevonden. Een oude, kapotte biljart vormde de basis. Er
werden planken opgelegd. Helpers van dienst waren Achiel
BLANCKE, Gustje, Frans
CASTEELS, Oscar VERVAECKE
en VANDENBROUCKE zelf.
Men
beschikte toen over welgeteld 16 poppen en er werd afgesproken dat de
daaropvolgende zondag al de eerste vertoning zou worden gegeven. Pastoor VANDENBROUCKE vertelde Gustje
de historie van Genoveva Van Brabant,
dat was hét stuk in die tijd. Maar Gustje
stelde, naar eigen zeggen, al meteen voor om de succesfiguur van vroeger, Pierrotje,
die iedereen Pierke was beginnen
noemen, in het stuk te betrekken, als bewaker van Genoveva.
Het
spel was een enorm succes. VANDENBROUCKE
speelde Golo, de slechterik, en Pierke
was natuurlijk zijn opponent.
Men
bleef verder spelen en het succes was zo groot dat men soms drie, vier
voorstellingen op één namiddag moest spelen.
In
1924 werd het Spelleke voor het eerst gevraagd voor een reisvoorstelling. Men
trok toen naar het College van Dendermonde. Volgens Gust
is daar de traditie ontstaan om in te spelen op plaatselijke gebeurtenissen of
anekdotes. In het college was het meubilair in de refter vernieuwd en een van de
professors was kort voordien door een stoel gezakt omdat een “pikkel” weggeschoten was. De man werd sindsdien “professor
Pikkel” genoemd. De anekdote werd effectief in het stuk verwerkt en
veroorzaakte natuurlijk enorme hilariteit.
Natuurlijk
moest men vervolgens ook in andere colleges spelen en zo werd het Spelleke van
de Muide meer en meer een reizend theater. De overplaatsing van VANDENBROUCKE
naar Wichelen werkte dit nog in de hand. Aldus raakte Pierke en het Gentse poppenspel gekend door het hele Vlaamse land.
3.4.
Lode Hoste noemt dit terecht de “Renaissance”
van het Gentse Poppenspel. Door de opkomst van de cinema waren nagenoeg alle
bestaande spellekens verdwenen. Maar met het Spelleke van de Muide kwam er niet alleen een nieuw poppenspel, het
zorgde ook voor de broodnodige vernieuwing. Vooral de introductie van Pierke
in de dramatische stukken was een voltreffer. Pierke
kreeg hierdoor zijn huidige vorm en zijn huidig karakter. Hij was niet alleen de
“lollekenshiere” maar hij werd ook
de held van het spel.
3.5.
Een belangrijke vaststelling is dat improvisatie nog steeds zeer belangrijk was.
Wanneer men artikels over het Spelleke uit die tijd leest leert men dat de
kinderen met Pierke moesten lachen van het begin tot het einde. Als men echter de
uitgeschreven teksten leest zijn die helemaal niet zo grappig, ook niet de
teksten van Pierke … Dit doet
vermoeden dat veel grappen al improviserend kwamen en er ook ingespeeld werd op
actualiteit en plaatselijke toestanden, iets waar de tekstschrijver natuurlijk
geen rekening mee kon houden. De tekst diende wellicht enkel als leidraad voor
het verhaal, de rest werd aan de inspiratie van het moment overgelaten.
3.6.
Een andere merkwaardigheid is de evolutie in het uiterlijk van Pierke
in die periode.
De
“lange arm” was reeds weggevallen in het Spelleke van nonkel Gust.
Maar ineens kreeg Pierke i.p.v. een
wit kostuum met zwarte lintjes en knopjes, een wit kostuum met rode versierselen
… (al heeft het even geduurd voor dit algemeen aanvaard was : het Pierke
van Pier Colle bleef bv. steeds zwart/wit, evenals dat van het in 1933
opgerichtte De Nar).
Voor
deze wijziging van zwart naar rood zijn heel wat verklaringen gegeven.
Reynaerts
wijst er op dat zwart/wit typisch zou zijn voor de Franse Pierrot,
terwijl rood/wit eerder naar de Italiaanse Pedrolino
zou verwijzen. Ook andere auteurs beweren dat er dus wel degelijk een bedoeling
achter de kleurwijziging zat.
Grappenmakers
wezen er op dat VANDENBROUCKE “de ruue paster” (de rode pastoor) genoemd werd omdat hij zo goed
met de (meestal socialistische) arbeiders kon omgaan en hij ook de Vooruit
las. De bekende poppenspeler Gust Apers
van “Folklore Jeugdtoneel” wees er
op een “gezellig samenzijn” van poppenspelers in de jaren ’60 op dat Vandenbroucke
van Pierke “een socialist” gemaakt had … Vandenbroucke kon er gelukkig mee lachen …
Misschien
moeten we het helemaal niet zo ver gaan zoeken. In die tijd stak het tenslotte
allemaal niet zo nauw : zou het niet kunnen dat gewoon het zwart lint op was
toen Pierke een nieuw kostuum kreeg ? ….
3.7.
Het schaarse onderzoek naar het Gentse Poppenspel heeft zich tot nu toe steeds
sterk op de Pierkesfiguur gericht, in die mate dat de andere personages, Loewie,
Karelke en de Langenarm, wat verwaarloosd werden.
3.7.1.
Uit het reeds geciteerde artikel van Prosper
Claeys blijkt dat alvast ook de Harlekijn-figuur rond 1840 reeds als
personage bestond en samen met “Pierrot”
de hoofdpersoon was in de “vaudeville”.
Claeys citeert ook titels : Piero
den Dief, Arlequin de Leugenaar, Piero
en Arlequin of de twee Schavuiten.
3.7.2. Van de bult is blijkbaar geen sprake … Ook de naam Karel en Loewie worden niet gebruikt. Zijn deze namen afkomstig uit de tijd van het Spelleke van de Muide ?? Herhaald weze dat in oude teksten van het Spelleke van de Muide ook gesproken wordt van “Harlekijn” en “Bult” en niet van Karel en Loewie … Ook in “Het Gentsch Poppenspel” (1931) en in “Het Poppenspel in de Nederlanden” (1946!) wordt enkel gewag gemaakt van “Arlekijn of de Lapkensdief” en van “Polichinelle of de bult”. Zelfs in een vrij uitvoerige bespreking van een voorstelling van het Spelleke van de Muide verschenen in HET VOLK van 25 augustus 1940 wordt enkel gewag gemaakt van den bult en harlekijn. Maar in het boek “De Magie van het Poppenspel” uit 1943 is wel sprake van Karel en Loewie en wordt ook een tekst van “Genoveva van Brabant” gepubliceerd, bewerkt door J. Boes, waarin de twee schavuiten hun huidige naam hebben[32].

(Loewie, Pierke en Karelke van "het Spelleke van de Muide")
3.7.3.
Over Pier den Langenarm kunnen we
veronderstellen dat het Spelleke van de Muide deze figuur opgevist heeft vanuit het vroegere
figuurtje “Pierrot de langenarm”. Pierke
was zijn lange arm bij nonkel Gust
verloren maar omdat het publiek het wel leuk vond dat op het einde een figuur
met zijn lange arm klop uitdeelde, werd er dan maar een nieuw personage gemaakt
dat de naam en de arm behield, maar niet het uiterlijk.
Deze
aantrekkelijke stelling zou echter onderuit kunnen gehaald worden omdat er zich
in de collectie van het Huis van Alyn
een hele grote stangpop bevindt uit het “Spelleke van Sint
Antonius” die ook een lange arm en een gewoon arbeiderspak draagt. De vraag is hoe oud deze pop is. Roeland VAN DE WALLE wijst er op dat de herkomst van deze pop niet
zeker is. De stelling dat deze pop uit het “Spelleke van Sint Antonius” afkomstig is werd gehaald uit het boek “DE MAGIE
VAN HET POPPENSPEL” waarin een afbeelding van de figuur is opgenomen. Over dat
spelleke weten we echter niets. Het enige wat we weten is dat het stuk “Sint-Antonius
en zijn verksken” regelmatig op kermissen opgevoerd werd door een dus
rondreizend gezelschap dat wel regelmatig in Gent speelde maar daarom nog niet
met Gent verbonden was. VAN DE WALLE vermoedt
dat de pop dateert uit het einde van de negentiende, begin van de twintigste
eeuw[33].
Voegen we hier nog aan toe dat dezelfde afbeelding ook in het boek “Het
Poppenspel in de Nederlanden” voorkomt, maar nu met een gans ander bijschrift
: “De Langenarm, eigen aan het oud
Gentsch Poppenspel”[34] ….
Het
blijft dus (voorlopig) een mysterie …
4.
Pierke de dag van vandaag :
meer dan enkel folklore ?
4.1.
Het lijkt er sterk op dat de Pierkes-figuur,
sinds de jaren dertig, weinig evolutie heeft gekend.
Twee
goede Pierke-omschrijvingen vinden we
bij de reeds menig maal vermelde auteurs VANDENBROUCKE en DHONDT :
“Zijn
fijne kopstem schettert boven alle andere uit. Sluw en geslepen zwemt hij door
alle waterkens, trekt hij zijn plan en geen hindernissen zijn zoo groot dat hij
er niet over wipt. Hij is geen spotter, maar lacht iedereen uit, hij is geen
hartelooze, maar lolt met leed en tranen, hij is niet boos, maar fopt met lust
en kwaadjongensachtig. Zijn fratsen haalt hij uit met een onberoerd flegma, en
thuis is hij overal bij groot en klein ; onversaagd trotseert hij de duivelen,
reuzen en monsters en voor Pietje de Dood is hij zonder genade. Hij jolt en
danst, zingt en fluit ; ’t leven is men licht om dragen en voor ’t werken
voelt hij zich ongeschikt. Hij is kwistig met zetten en kwinkslagen in den
zuiversten Gentschen stijl. Maar hij is eerlijk, getrouw en ridderlijk”[35]
“Pierrot
is een komplete tegenstelling van het levenslustige Pierke, die een plezante
kerel is, zorgeloos door het leven gaat en en nooit zijn goed humeur verliest
(…). Zijn schranderheid, waardoor hij nooit in de val loopt, zijn
vrijmoedigheid, zonder brutaliteit, zelfs ten overstaan van het hoogste gezag,
zijn trouw en moed, waarmede hij onversaagd onrecht en misdaad bestrijdt en
tenslotte zijn hulpvaardigheid ten bate van de zwakkeren. Boven alles primeert
nochtans zijn onwankelbaar optimisme.” [36]
Alhoewel
deze omschrijvingen respectievelijk meer dan 60 en bijna 30 jaar oud zijn, zijn
ze nog steeds ten volle van toepassing op de typische “Pierke”-theaters
uit Gent die voornamelijk voor kinderen spelen.
4.2. Het huidige Pierke zoals dit door de theaters ’t Spelleke van de Folklore, Festival, Magie, Fantasia en Pedrolino gebruikt wordt ligt dus nog steeds erg dicht bij de interpretatie (of moeten we toch zeggen “creatie” ?) van Gust De Puydt al legt iedereen zijn eigen accenten. Pierke heeft er wel, wellicht in de jaren ’50, een draadje bij gekregen aan zijn achterwerk ; dat had hij niet in het Spelleke van de Muide en bij het Spelleke van de Folklore houdt hij het nog steeds bij drie draadjes, één aan beide handen en één aan het rechterbeen. Pierke verloor ook in de jaren ’40 zijn rosse snor en kreeg zwart of bruin haar. Het verlies van de snor is, dat weten we wel zeker want het verhaal wordt door diverse medewerkers van het Spelleke van de Folklore van het eerste uur los van elkaar bevestigd[37], weer het gevolg van toeval. Toen het Spelleke van de Folklore in 1942 opgericht werd, werd een nieuwe Pierkeskop gesneden. Gustje vond deze kop echter niet sympathiek genoeg en nam dan maar een jongensachtig kopje uit de collectie van het Spelleke van de Muide ; deze kop had toevallig geen snor …

(het huidige Pierke van "Het Spelleke van de Folklore")
Maar
buiten de aanwinst van het draadje en het verlies van de snor is er weinig of
niets aan de figuur veranderd.
4.3.
Toch is het zeer opvallend dat Pierke
nog altijd een erg grote aantrekkingskracht uitoefent op de kinderen, zowel
binnen als buiten Gent. Pedrolino
speelt het hele Vlaamse land door, tot boven Antwerpen, regelmatig ook in
West-Vlaanderen en uitzonderlijk zelfs eens in Nederland. We kunnen maar
vaststellen dat het traditioneel Pierkespel
nog steeds niet aan populariteit ingeboet heeft, wel in tegendeel. Nadat Pierke gedurende de jaren ’70 uit de scholen gebannen werd omwille
van zijn taaltje, is hij tegenwoordig ook daar weer hartelijk welkom. Pierke
is ook zeker niet het monopolie van de kinderen uit de volksbuurten (voor
zover deze nog bestaan), maar lokt kinderen (en hun begeleiders) uit alle
sociale lagen naar zijn theater.
4.4.
Hoe is dit te verklaren ? Evident is het immers niet : uiteindelijk blijft het
spel zeer eenvoudig, met een minimum aan technische hulpmiddelen en zonder al te
veel spectaculaire effecten. Hoe kan het simpele Pierke
in dit digitaal computertijdperk zo populair blijven ?
Ik
zie twee grote verklaringen.
4.5.
Vooreerst zijn Pierkes karaktereigenschappen natuurlijk tijdloos. De kinderen zien
in hem hun held en terzelfdertijd herkennen ze ook veel van zichzelf in hem, want
Pierke is als het ware een groot kind.
Net als een kind kan hij zich verwonderen over zaken die voor grote mensen
evident lijken. Hij stelt vragen waar volwassenen soms moeilijk het antwoord op
kunnen geven ; hij is kwajongensachtig en haalt graag een grap of een frats uit.
Omdat hij eigenlijk nog een kind is begrijpt hij ook veel zaken verkeerd, wat
leidt tot heel wat versprekingen op z’n “Samsons”.
4.6.
Verder moeten we vaststellen dat, al is Pierke
doorheen de laatste 80 jaar min of meer dezelfde gebleven, het traditioneel
Gents poppenspel zelf zich, bij het ene gezelschap al meer dan bij het andere,
wel heeft aangepast.
In
feite is de Gentse traditie al sowieso een erg jonge traditie. We zagen reeds
dat het Spelleke van de Muide destijds
voor ingrijpende vernieuwing heeft gezorgd door de personages uit de klucht in
het drama te introduceren. Maar bij
deze “revolutie” is het niet gebleven : de traditionele Gentse poppenspelers
wilden wel traditioneel poppenspel blijven brengen maar dan wel voor een publiek
van vandaag en zij hebben zich, misschien ook wel een beetje uit commerciële
overwegingen, aangepast aan de mentaliteit en de wensen van een hedendaags
publiek.
De belangrijkste evolutie sinds het Spelleke van de Muide is de duurtijd van een voorstelling. Bij het Spelleke van de Muide duurde een voorstelling al snel 2 uren en zelfs al zat Pierke al als personage in het drama, toch werd nadien bijna steeds nog een klucht opgevoerd als extraatje. Die traditie is eigenlijk maar in de jaren ’40 beginnen verdwijnen, al brengt het Koninklijk Poppentoneel Festival bij gelegenheid nog wel eens een oude klucht voor het voetlicht.

(Pierke van het Koninklijk Poppentoneel Festival)
Tegenwoordig
duurt een voorstelling nog één uur tot maximum een uur en een kwart, pauze
niet inbegrepen.
Een
deel van het oude repertoire wordt nog steeds met succes opgevoerd, maar de
huidige generatie poppenspelers haalde de schaar boven om flink in de
scenario’s te knippen. Overbodige ballast vloog er onverbiddelijk uit, en de
regel is dat er voldoende beweging en actie moet zijn en liefst niet teveel
gebabbel. Verhalen in vier bedrijven zijn eerder uitzonderlijk geworden, 3 of
zelfs 2 delen volstaan.
De
verhalen zijn wel zeer herkenbaar gebleven, stereotiep bijna, met bij voorkeur
zoveel mogelijk klassieke personages als een koning, een heks, een kabouter en
als het even kan een verhaal dat vrij strak de structuur van het klassieke
volkssprookje volgt … Hedendaagse stukken vallen duidelijk veel minder in de
smaak, zeker als de intrige te ingewikkeld wordt. Enkele zaken komen in bijna
ieder stuk terug :
-
de klassieke begroeting van Pierke
aan de kinderen (meestal komt Pierke
pas als tweede of derde pop op scène en zorgt hij zo hoogstpersoonlijk voor het
“motorisch moment”) ; “Dag beste
kinders allemaal … en hoe is het met ulder ?” ;
-
de zgn. “rijmelarijscènes”
waarbij Pierke afwisselend van links
en rechts achter de grote slechterik verschijnt en rijmpjes verzint op wat de
booswicht van dienst uitkraamt. Hoe simpel en zelfs onnozel ook, de kinderen
zijn er dol op en kunnen van dergelijke scènes niet genoeg krijgen ;
-
het zgn. “afkuisen” van de
antagonist : Pierke stampt met zijn
rechtervoet en soms zelfs met zijn achterwerk de vijand letterlijk van de scène.
Hierbij maken een aantal theaters gebruik van het geluid van een cimbaal die
hard tegen de grond gekeild wordt, nog een traditie uit de tijd van het Spelleke
van de Muide … In de jaren ’70 probeerde men het een tijdlang in
bepaalde poppentheaters iets meer pedagogisch aan te pakken en zag de slechterik
op het einde van het stuk zijn fout in en bekeerde hij zich. Dit werd echter
door het jonge volkje niet gepikt. Ofwel bleef men wantrouwig, ofwel werd de
slechterik op boegeroep onthaald. Teleurgesteld omdat Pierke
zijn fameuze “karatestoten” niet had uitgehaald was men in ieder geval.
In
een aantal theaters is ook een zekere evolutie merkbaar wat decor en poppenbouw
betreft.
Marionettentheater Nele van Albert Vermeiren was ongetwijfeld de eerste die afweek van het stereotiepe decor bestaande uit een fond (liefst nog op doek, handig voor transport) en twee of vier al dan niet gecoupeerde coulissen.

(Albert Vermeiren en echtgenote achter de schermen. Let op de massa aan papierklemmen om de ingewikkelde decors recht te houden ; bemerk ook het merkwaardige speelkruis en de vele "bolletjes" in de draadjes ...)
Vermeirens decors maakte een diepe indruk op J.P. Maeren van Poppentheater Magie die vanaf de jaren ’80 ook meer en meer voor drie-dimentionele decors koos.

(een scène uit "Circus Taraboni" van poppentheater Magie)
Pierre
De Wispelare van
Festival was er
ook vroeg bij om met afwijkende decors voor de dag te komen (bv. het
openwaaiende raam in “Pinnokio”
langs waar de fee haar intrede deed) doch hij keerde vrij snel naar het
conventioneel systeem terug, weze het dat de achtergronden meestal in een halve
cirkel geschilderd werden en uitstierven naar zwart, wat dan meteen het voordeel
had dat aldus ook de coulissen zwart konden blijven …
Magie
was het eerste Gentse stangpoppentheater dat experimenteerde met meer
beweeglijke stangpoppen. Door de constructie licht te wijzigen en af en toe een
extra draad kon men de voordelen van een stangpop met deze van een marionet
combineren, wat op scène verbluffende resultaten gaf.

(wijlen Henri Maeren met het Pierke van Poppentheater Magie)
Festival
was dan weer het eerste theater dat zeer snel met achtergrondmuziek ging werken
(eerst met 78-toeren platen, daarna met een bandopnemer) en ook snufjes als
lichtgevende verf kwamen daar zeer vroeg aan bod.
Festival
was ook het eerste theater in Gent waar de poppenkoppen niet meer in hout
gesneden waren maar in houtpasta geboetseerd. Pierre
De Wispelare leerde het product kennen in Nederland en importeerde het in
grote hoeveelheden voor hemzelf en zijn collega’s van het toenmalig “Vlaams
Verbond voor Poppenspel”.
Zoals
gezegd ging het repertoire minder mee met de tijd. De klassieke sprookjes
blijven het goed doen, alsook bepaalde traditionele stukken zoals “Het
Geheim van de Waterput”, “De reis
naar de Maan” en last but not least
“Het Gestolen prinsesje”. In de
jaren ’60 en ’70 waren er wel wat experimenten bij bepaalde poppentheaters,
zo deed “Zorro” eens zijn intrede
bij Magie en “Batman” bij Pallieter
en werden er ook een aantal detective-achtige stukken opgevoerd, maar deze
nieuwigheden verdwenen even snel als ze gekomen waren en maakten al weer vlug
plaats voor de sprookjesachtige verhalen. “Heilige” stukken werden wel van
het repertoire verwijderd, de laatste in de jaren ’70, al speelt Festival nog wel eens “De
arme muzikant” met de Heilige Cecilia
in een glansrol en een hemelopneming in de finale.
Bijzonder
was wel de manier van werken in de jaren ’60 en ’70 van het
Spelleke
van de Folklore. Men speelt daar 11 maanden op 12, iedere week een ander
stuk en vele kinderen kwamen jaren aan een stuk bijna wekelijks kijken, men
moest dus over een zeer ruim repertoire beschikken. Er was echter geen
“huisauteur” en alle spelers hadden ook nog een dagtaak.
Men loste dit eenvoudig op door aan het begin van het seizoen een
speelkalender op te stellen met een aantal goed klinkende titels. Pas de maandag
voor de “première” werd rond die titel een verhaal verzonnen, soms op basis
van een bestaand stuk uit de traditie, door de drie spelers aan tafel ten huize
van een van hen zeer kort op papier gezet (één blad voor een volledig stuk
…). Dat stuk werd dan de woensdag volledig op improvisatie opgevoerd. Na
enkele jaren kon men hernemen. Men vergat soms echter wel eens dat men voor een
bepaalde titel al een verhaal had en zo komt het dat er voor bepaalde titels
twee verhalen zijn …
4.7.
Er is dus wel een zekere vernieuwing te bespeuren bij de Gentse poppentheaters,
maar dan vooral wat het materiaal betreft waarmee gewerkt wordt : modernere
decors, minder streng gesneden of zelfs geboetseerde koppen, af en toe een
technisch snufje en de stukken werd ingekort en de actie verhoogd en versneld,
maar de geest is identiek gebleven. De Gentse poppenspelers hebben hun publiek
aldus op hun wenken bediend. Dat ze met dergelijke eenvoudige middelen toch nog
een modern publiek zo geboeid kunnen houden, kan enkel aan de “Magie
van het Poppenspel” te wijten zijn. Als de poppenspeler er in slaagt om de
juiste sfeer te creëren, kan hij een publiek doen geloven in een pop en
wordt ze echt mens. Dat die pop dan maar één enkele gelaatsuitdrukking heeft,
houterig beweegt, niet eens stapt maar “wipt” en aan een kanjer van een
ijzerdraad bengelt, zal het publiek een zorg wezen. Magie is het, niets dan
magie …

(Pierke van poppentoneel FANTASIA)
5.
Besluit : Pierke is van Gent en van de kinderen
5.1.
In 1996 schreef Paul Berkenman een lied “Pierke
es van Gent” naar aanleiding van een polemiek die ontstaan was in de
Gentse poppenspelwereld en waarbij de vraag was gesteld waar Pierke nu eigenlijk vandaan kwam en wie zich het “echte” Pierke
mocht noemen. Ondergetekende verdedigde toen reeds de stelling dat het
huidige Pierke wat uiterlijk betreft wel terugging op de Commedia
dell’arte figuur, en dat er voor 1922 ook wel een Pierkespersonage
had bestaan maar niet meer te vergelijken was met wat Gust De Puydt ervan gemaakt had en dat Gustje De Puydt dus eigenlijk wel degelijk als de “vader” van
het huidige Pierke moet aanzien
worden. Dat viel bij o.a. Reynaerts
niet in goede aarde en het standpunt van ondertekende werd wat karikaturaal
voorgesteld alsof er aldus “valse” en “echte Pierkes”
zouden bestaan. Pierke was van Gent,
werd er geponeerd, en niet van Gust De
Puydt of wie dan ook.
Ik
nam deze slogan als titel voor deze bijdrage omdat ik het volledig eens ben met
de stelling dat Pierke in die zin van Gent is dat hij weinig of niets met zijn
voorvaderen uit de Commedia dell’arte
te maken heeft. Ondergetekende wil ook niemand verbieden om met Pierke
of een Pierkesinterpretatie te spelen, al zijn er Pierkesspelers in Gent die het personage volgens ondergetekende bij
iedere voorstelling “vermoorden”, minstens verminken. Maar ere wie ere
toekomt : men kan en mag de rol van Gust
De Puydt niet onderschatten. Hij heeft, wellicht samen met zijn medespelers
in het Spelleke van de Muide (Frans
Casteels fluisterde Gustje naar
het schijnt heel wat “zetten” in), van Pierke
gemaakt wat hij nu nog in de meeste traditionele Gentse poppentheaters is ; hij
heeft de basis gelegd voor de manier waarop wij nu al een tachtigtal jaren lang
werken en die ook nog voor een publiek van vandaag inslaat.
Maar
dit alles doet niets af van het feit dat Pierke,
op zijn uiterlijk na, een typisch Gents product is, overeenkomsten met het Commedia dell’arte personage berusten op louter toeval ; Pierke
is van Gent ;
5.2.
Ook het tweede deel van de titel van mijn bijdrage zal nu wel duidelijk zijn. De
schaarse bronnen tonen aan dat Pierke,
zeker sinds hij z’n huidige naam en uiterlijk heeft gekregen, maar
vermoedelijk ook voordien, voornamelijk een figuur is geweest uit het
kinderpoppenspel. Het verhaaltje dat poppenspel met Pierke
ook in Gent ooit uitsluitend voor volwassenen was moet naar het rijk der fabelen
verwezen worden. Jammer voor diegene die uit deze historische nonsens probeerden
argumenten te halen om aan hun Pierke-interpretatie
enig “serieux“ te geven en aldus “en
passant” proberen argumenteren dat de overige Pierkes,
die voornamelijk voor kinderen spelen, Pierkes
oorsprong zouden verloochend hebben … Opnieuw om ieder misverstand uit te
sluiten : Pierke mag en kan uiteraard
voor volwassenen spelen, hij oefent ook op hen een grote aantrekkingskracht uit,
maar dit gaat duidelijk niet terug op een jarenoude traditie … Daarom ook een
warme oproep aan bepaalde collega’s om nu eindelijk eens op te houden met te
“liegen alsof het gedrukt staat”.
16
oktober 2006.
[1] HOSTE,
Lode, “Gent Poppenspelstad”, 1979, 173 blz.
[2] NEIRYNCK,
Freek en PAËRL, Hetty, “Traditionele Poppen in België”, 1994, Vlaams
Figurentheaterarchtief.
[3] VAN
STEENBERGHE, Els, “Kinderlijk Gent – Portret van een
jeugdtheaterlandschap” in “De speler en de Strop, tweehonderd jaar
theater in Gent”, 2005, Snoeck, blz. 50.
[4] Het
volkse woord in Gent voor “poppentheater” of “poppenspel”
[5] HOSTE,
Lode, o.c., blz. 33
[6]
VINCENT, M, (ed.), “Gentse Poppenspelen, Zij hebben het verteld”, 1985.
[7] PÄERL, Hetty, “Heerekrintjes”, 1987, Gaade Uitgevers, Veenendaal, blz. 20
[8] Men spreekt hier van “de Poesje”, vermoedelijk een Vlaamse verbastering van Pulcinella, dus in zekere zin wel een binding met de Comedia dell’arte …
[9] In vroegere tijden “Snoef”, zo lezen we bij Conscience …
[10] D’HONDT, Maurice, “De Gentse Spellekens” in VLAANDEREN, jaargang 26, september-oktober 1977, blz. 261
[11] REYNAERTS, Marc, “Pedrolino, Pierrot en Pierke, Sporen van Commedia dell’arte in Gent”, Licentiaatsverhandeling academiejaar 1992-1993, 2e lic. Theaterwetenschappen, Rijksuniversiteit Gent.
[12] De
volledige benaming is trouwens “Commedia
dell’arte improviso”, zie PAËRL, Hetty, o.c., blz. 14
[13] PAËRL, Hetty, o.c., blz. 15
[14] PAËRL, Hetty, o.c., blz. 19
[15] Reynaerts
verwijst naar VAN BRAGT, E., Het Leven in de Gentsche ‘Poortjes’ voor
1900 in Oost-Vlaamse Zanten, XXIII Gent, 1948, blz. 37-48
[16] Al
is volgens anderen een kraag en de grootte ervan net een teken van
(vermeende) welstand …
[17]
REYNAERTS, Marc, o.c., blz. 17
[18] Zie o.a. VANDENBROUCKE, Joris, in “De wereld van het poppenspel”, tentoonstellingscatalogus, stad Mechelen, 1965.
[19] Volgens VANDENBROUCKE in groen-rood gekleed (VANDENBROUCKE, J., HET POPPENSPEL IN DE NEDERLANDEN, Gent, De Nederlandsche Boekhandel, 1946, 23), kleuren die hij bij Pedrolino en Festival behouden heeft. Bij Magie en Fantasia is dat oranje, zwart en geel geworden …
[20] Volgens PAËRL symboliseert een hoge rug in veel landen van Europa scherpzinnigheid en een spottende tong (PËARL, Hetty, o.c., 29). In Gent geeft het de figuur eerder iets meelijwekkends.
[21] Aloewel : de beschrijving van een voorstelling van De Poesje door Conscience wijst er op dat ook hier op dat ogenblik voor een kinderpubliek werd gespeeld …
[22] Notes et Souvenirs, I, Vuylsteke Gent, 1899, p. 11
[23] NEIRYNCK,
Freek en PËARL, Hetty, o.c. bladzijden niet genummerd …
[24] DEVENS,
Tuur, “Mama, waar is de poppenkast?” Een situatieschets van het huidige
Vlaamse professionele poppentheater in Poesje –poppen-figuren, stad
Antwerpen, 1998, blz 37
[25] HOSTE, Lode, o.c., blz. 14
[26] VANDENBROUCKE,
Joris, “Het Gentsch Poppenspel”, 1931, Artes, Gent
[27] VERSCHUEREN,
Jan, “De Spellekens te
Gent”, artikelenreeks in “De Gazette van Gent” van 16 januari 1909, 30
januari 1909, 13 februari 1909, 6 maart 1909
[28] HOSTE,
Lode, o.c., blz. 8
[29]
PEÄRL, Hettty, o.c. blz. 159
[30] Van de ene volkswijk naar de andere dus … wellicht speelden er nog andere motieven mee die Gust niet weet of die hij liever niet meedeelde …
[31] Deze
stelling van Gust is nieuw : de meeste auteurs verwijzen voor de schrille
kopstem naar het Pulcinella-personages en het gebruik van de zgn.
“pivetta”
[32] VAN
ES, F. e.a., “De Magie van het Poppenspel”, Bond der Oostvlaamsche
Folkloristen, Gent, 1943, blz. 40 en blz. 99 e.v.
[33] VAN
DE WALLE, Roeland, “Poppen in het Gentse Museum voor Volkskunde” in
Tussen Speelkruis en Speelplank, februari 1985, nr. 1, blz. 11.
[34] VANDENBROUCKE,
Joris, “Het Poppenspel in de Nederlanden”, De Nederlandsche Boekhandel,
Antwerpen, 1946, plaat VIII
[35] VANDENBROUCKE, “Het Poppenspel in de Nederlanden”, o.c. blz. 97-98
[36]
D’HONT, M., o.c., p. 260.
[37] Interview
van Dolf Vergauwen met Gust Neirynck van 2 april 1992 ; interview van Dieter
Vanoutrive met Pierre De Wispelaere van 8 april 1992